Uitspraak van de week: Context cao belangrijker dan letterlijke betekenis

19 feb 2018

Inleiding 

Tot 1 januari 2014 financierde een gemeente het welzijnswerk middels een subsidie. Na deze datum heeft gemeente gekozen voor een privaatrechtelijke overeenkomst, die middels een aanbesteding in de markt werd geplaatst. Het betreffende artikel in de geldende cao bepaalt dat, in geval van overgang van opdracht van de oude naar de nieuwe dienstverlener, sprake dient te zijn van eenzelfde opdracht. Maar wanneer is daar sprake van? Immers, een opdracht in het kader van een subsidie is anders geformuleerd en bekostigd dan een opdracht in het kader van een privaatrechtelijke overeenkomst.

Deze vraag stond centraal in een langslepende rechtszaak, waarin het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden onlangs arrest heeft gewezen. Het hof oordeelt dat de woorden ‘deze opdracht’ in artikel 11.4 van de cao ruim dienen te worden uitgelegd, hetgeen ertoe leidt dat voldoende is komen vast te staan dat de aanbestedingsopdracht gelijksoortig dan wel substantieel dezelfde is als de opdracht die voorheen door Welzijn is verricht.

De casus

De gemeente Veenendaal besloot om vanaf het jaar 2014 het welzijnswerk voor Veenendaal en omstreken aan te besteden. De jaren hieraan voorafgaand werd het sociaal-cultureel maatschappelijk werk uitgevoerd door Stichting Welzijn Veenendaal (verder: Welzijn), waarvoor zij een subsidie kreeg van de gemeente Veenendaal. Stichting Vitras/CMD (verder: Vitras) en Welzijn schrijven in op de aanbesteding. Uiteindelijk wordt aan Vitras gegund, waardoor Welzijn vanaf 1 januari 2014 zo’n 75% van haar omzet verliest en een deel van de (boventallige) medewerkers wordt ontslagen.

Tussen en Vitras ontstond een geschil over de interpretatie van artikel 11.4 van de cao Welzijn. Dit artikel bepaalt dat een werknemer bij gebleken geschiktheid recht heeft op een dienstverband bij de nieuwe opdrachtnemer als hij met dreigend ontslag wordt geconfronteerd als gevolg van het niet langer uitvoeren van een door de overheid gegunde opdracht, als deze opdracht na een procedure van aanbesteding aan een andere opdrachtnemer is gegund. Een langslepend geschil, dat ertoe leidt dat Vitras in hoger beroep vernietiging van het eerdere vonnis vordert en als belangrijkste bezwaren stelt dat:

  1. Het begrip ‘opdracht’ uit artikel 11.4 op de juiste wijze moet worden uitgelegd. Vitras is van mening dat ‘de opdracht’ enkel betrekking kan hebben op de situatie dat sprake was van een eerdere aanbesteding, hetgeen hier niet het geval is;
  2. In dit kader, ook vanuit de inhoud bezien, geen sprake is van een gelijksoortige dan wel substantieel dezelfde opdracht; een dergelijke uitleg is namelijk in strijd met de cao-norm en er in dit kader onderscheid dient te worden gemaakt tussen collectief en individueel welzijnswerk.

De uitspraak

Het hof oordeelt allereerst dat de invulling van het begrip ‘opdracht’ in het licht van de gehele tekst van de cao dient te worden bezien. Daarbij komt het aan op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao en de toelichting zijn opgesteld. Dit leidt ertoe dat het begrip ‘opdracht’ niet letterlijk moet worden beschouwd maar in de bredere context van de cao moet worden geplaatst.

Het tweede bezwaar van Vitras, dat er geen sprake is van een gelijksoortige dan wel substantieel dezelfde opdracht, slaagt ook niet: een objectieve uitleg van artikel 11.4 brengt mee dat niet de eis gesteld kan worden dat de oude en de nieuwe opdracht volledig identiek zijn, aldus het hof. Immers, door het verstrijken van de tijd en door veranderende maatschappelijke en politieke inzichten zal er altijd verschil bestaan tussen de oude en de nieuwe opdracht. Van belang is dat er een causale relatie bestaat tussen beide opdrachten En dat is hier aan de orde, simpelweg omdat de nieuwe opdracht in de plaats is gekomen van de oude opdracht. Het Hof vindt dit voldoende, om sprake te laten zijn van een gelijksoortige opdracht.

Niels Hoppenbrouwers

 

Over de Uitspraak van de Week

Ons team juristen volgt de ontwikkelingen binnen het aanbestedingsrecht op de voet. Iedere week bespreken zij ontwikkelingen binnen het vakgebied, waaronder de in die week gepubliceerde jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie, van de nationale rechters en de adviezen van de Commissie van Aanbestedingsexperts. Onze juristen beschikken over een diepgaande en actuele kennis van het aanbestedingsrecht. Iedere week kiezen zij één “Uitspraak van de Week” uit: een uitspraak die opvalt en relevant is voor inkopers in de publieke sector. Die Uitspraak van de Week delen wij met u door middel van het weergeven van de casus, het rechterlijk oordeel én de impact voor de praktijk.

Wie zijn wij?

Ons team juristen bestaat uit twaalf gespecialiseerde aanbestedingsjuristen in vaste dienst, waarvan acht senior juristen. Drie van de acht komen uit de advocatuur. Onze juristen zijn voor veel klanten vaste sparringpartner op aanbestedingsjuridisch gebied: zowel voor inkopers, behoeftestellers als voor in house juristen. Omdat onze juristen ruime ervaring hebben met het zelf begeleiden van aanbestedingen, het voeren van onderhandelingen met leveranciers, het opstellen van contracten en algemene voorwaarden en sommigen ook met het procederen hierover, kunnen zij praktisch en to the point adviseren. Door die praktische instelling, onze ruime ervaring én onze aantrekkelijke tarieven zijn wij vaak het ideale alternatief voor de inzet van een advocaat daar waar het geen gerechtelijke procedure betreft.