Uitspraak van de Week: Ontbreken opzegtermijn in overeenkomst; voldoende en zwaarwegende grond voor opzegging

19 mrt 2018

Inleiding

Een overeengekomen mogelijkheid tot opzegging en de opzegtermijn dienen in beginsel door partijen te worden nageleefd. Indien niet is voorzien in een opzegtermijn in de overeenkomst, brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen dat alsnog een redelijke opzegtermijn in acht dient te worden genomen. Enkel indien er sprake is van bijzondere omstandigheden kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat.

In geschil was het moment van opzegging van een tweetal duurovereenkomsten. De aanbestedende dienst had bij de opdrachtnemer gemeld dat zij voornemens was om een aanbestedingsprocedure in de markt te plaatsen. Hierbij had zij eveneens aangegeven op welk moment zij verwachtte de procedure te hebben afgerond. Vraag die rijst is dan ook: was dit voldoende voor opzegging? De rechter is van mening van niet, omdat voor opzegging van een overeenkomst niet volstaat een brief waarin louter melding wordt gemaakt van het voornemen tot het aanbesteden, met daaraan verbonden het uitspreken van de intentie van het moment waarop de procedure zal zijn afgerond.

Het naleven van de aanbestedingsregels levert derhalve een rechtmatige grond op voor opzegging van duurovereenkomsten.

De feiten

Curaçao (verder te noemen: het Land) heeft in 2002 een overeenkomst gesloten met CCS voor het leveren van beveiligingsdiensten ten behoeve van de beveiliging van Kranshi (de Burgerlijke stand op Curaçao). Daarbij is geen opzegtermijn afgesproken. Vervolgens heeft het Land in 2010 opnieuw een overeenkomst gesloten met CCS, dit keer voor de beveiliging van Bureau Rijbewijzen. Belangrijk verschil in beide overeenkomsten was dat de overeenkomst met betrekking tot Kranshi niet voorzag in een mogelijkheid tot opzegging; de overeenkomst met betrekking tot Rijbewijzen voorzag hier wel in (namelijk een opzegtermijn van drie maanden).

Bij brief van 13 augustus 2013 heeft het Land aan CCS medegedeeld dat zij spoedig een openbare aanbesteding zou houden voor beveiligingswerkzaamheden. Daarbij werd vermeld dat het Land de intentie had om per eind november 2013 het aanbestedingsproces af te ronden en de overeenkomst met de winnaar van de aanbesteding in te laten gaan op 1 januari 2014. Vervolgens heeft het Land bij brief van 13 december 2013 CCS medegedeeld dat zij de werkrelatie voor wat betreft beide overeenkomsten niet zal voortzetten en daarbij verwezen naar de brief van 13 augustus 2013. Dit betekende dat per 1 januari 2014 het Land geen gebruik meer zou maken van de diensten van CCS.

Volgens CCS heeft het Land de twee overeenkomsten zonder goede reden en zonder inachtneming van de overeengekomen opzegtermijn opgezegd. Daarom vordert CCS schadevergoeding voor de onrechtmatig opgezegde overeenkomsten door het Land. Zowel CCS als het Land twisten over de uitleg van beide overeenkomsten.

CCS vordert een schadebedrag wegens het niet in acht nemen door het Land van een gefixeerde opzegtermijn.

De rechterlijke uitspraak

Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder te noemen: het Gerecht) stelt voorop dat een contractuele regeling, zoals de mogelijkheid tot opzegging in beginsel door partijen moet worden nageleefd.

Overeenkomst Bureau Rijbewijzen:
In de overeenkomst met betrekking tot Bureau Rijbewijzen is een dergelijke regeling opgenomen, waardoor de overeenkomst in beginsel opzegbaar is. De eisen van redelijkheid en billijkheid zouden in bepaalde omstandigheid met zich mee kunnen brengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat, maar het Gerecht is van mening dat in deze zaak daarvan geen sprake is. Er zijn namelijk geen omstandigheden gebleken op grond waarvan CCS erop heeft mogen vertrouwen dat de overeenkomsten slechts in geval van een zwaarwegende grond zou mogen worden beëindigd. Het Gerecht stelt dat in een dergelijk geval de contractsvrijheid meebrengt dat het Land op enig moment mag besluiten de overeenkomst zonder een bijzondere reden te beëindigen.

Partijen twisten tevens over de uitleg van de regeling in de overeenkomst met betrekking tot Bureau Rijbewijzen. Om die reden stelt het Gerecht dat de uitleg van een beding niet louter uit de gebruikte bewoordingen kan plaatsvinden, maar dat gekeken moet worden naar hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en de betekenis die zij aan die verklaringen hebben kunnen geven. Het Gerecht stelt dat de opzegging los gezien moet worden van de duur van de overeenkomst, mede door gebruik van een witregel tussen de zinnen. Het Gerecht stelt op dit punt het Land in het gelijk: de overeenkomst kan ook tussentijds worden opgezegd, met inachtneming van de overeengekomen opzegtermijn.

Overeenkomst Kranshi:
Met betrekking tot de Kranshi-overeenkomst is het Gerecht van oordeel dat de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen dat het Land een redelijke opzegtermijn in acht diende te nemen. Daarbij was onder andere de lange duur van de samenwerking tussen CCS en het Land van belang en het feit dat het Land een legitieme reden had op de overeenkomst op te zeggen (voornemen tot openbare aanbesteding). Het Gerecht stelt vast dat een opzegtermijn van drie maanden in dit kader een redelijke termijn is, en weegt mee dat partijen in de overeenkomst voor het Bureau Rijbewijzen, een termijn van drie maanden hebben afgesproken.

Volgens het Gerecht geldt de brief van 13 augustus 2013 louter als een aankondiging van een aanbesteding die gevolgen zou kunnen hebben voor het voortbestaan van de gesloten overeenkomsten met CCS. Gebruik van het woord ‘intentie’ brengt een zekere mate van onzekerheid met zich mee. Deze brief kan dan ook niet gelden als een opzeggingshandeling, aldus het Gerecht.

Dit betekent dat de overeenkomsten pas zijn opgezegd na de brief van 13 december 2013. De daarbij in acht genomen opzegtermijn is volgens het Gerecht te kort geweest, Het Land is tekortgeschoten in zijn verplichting om een redelijke opzegtermijn in acht te nemen. Vanwege die tekortkoming is het Land schadeplichtig.

Hoogte schadevergoeding:
Ten aanzien van de hoogte van de schadevergoeding komt het volgens het Gerecht aan op een vergelijking van de hypothetische situatie waarin de tekortkoming achterwege zou zijn gebleven met de werkelijke situatie waarin het Land is tekortgeschoten. Zou het Land niet zijn tekortgeschoten, dan zou CCS aanspraak hebben gehad op de overeengekomen tegenprestatie gedurende de opzegtermijn, namelijk tot 13 maart 2014. Voor zowel de overeenkomst met betrekking tot Bureau Rijbewijzen als de overeenkomst met betrekking tot Kranshi dient het Land schadevergoeding te betalen, en wel over de periode 1 januari 2014 tot 13 maart 2014.

Niels Hoppenbrouwers

 

Over de Uitspraak van de Week

Ons team juristen volgt de ontwikkelingen binnen het aanbestedingsrecht op de voet. Iedere week bespreken zij ontwikkelingen binnen het vakgebied, waaronder de in die week gepubliceerde jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie, van de nationale rechters en de adviezen van de Commissie van Aanbestedingsexperts. Onze juristen beschikken over een diepgaande en actuele kennis van het aanbestedingsrecht. Iedere week kiezen zij één “Uitspraak van de Week” uit: een uitspraak die opvalt en relevant is voor inkopers in de publieke sector. Die Uitspraak van de Week delen wij met u door middel van het weergeven van de casus, het rechterlijk oordeel én de impact voor de praktijk.

Wie zijn wij?

Ons team juristen bestaat uit twaalf gespecialiseerde aanbestedingsjuristen in vaste dienst, waarvan acht senior juristen. Drie van de acht komen uit de advocatuur. Onze juristen zijn voor veel klanten vaste sparringpartner op aanbestedingsjuridisch gebied: zowel voor inkopers, behoeftestellers als voor in house juristen. Omdat onze juristen ruime ervaring hebben met het zelf begeleiden van aanbestedingen, het voeren van onderhandelingen met leveranciers, het opstellen van contracten en algemene voorwaarden en sommigen ook met het procederen hierover, kunnen zij praktisch en to the point adviseren. Door die praktische instelling, onze ruime ervaring én onze aantrekkelijke tarieven zijn wij vaak het ideale alternatief voor de inzet van een advocaat daar waar het geen gerechtelijke procedure betreft.