Reële tarieven in het sociaal domein doen vaak pijn!

26 nov 2020

De zaak

Op 20 november jl. heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland een uitspraak gedaan over reële prijzen in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Deze uitspraak geeft een uitwerking van de verplichtingen die gemeenten hebben voor de gunning van Wmo-diensten op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter nadere uitleg gegeven over de wijze waarop maximumtarieven moeten worden vastgesteld.

Deze uitspraak benadrukt de actieve rol die een gemeente speelt bij de bepaling van reële tarieven voor de inkoop van Wmo-voorzieningen en heeft op termijn waarschijnlijk ook gevolgen voor de Jeugdwet.

Wettelijk kader

Voor een goed begrip van de uitspraak is het handig om het wettelijk kader kort samen te vatten. De Wmo verplicht gemeenten om algemene en maatwerkvoorzieningen te treffen voor hun inwoners, zodat zij zelfstandig kunnen (blijven) wonen. Voor de uitvoering van de wet kan de gemeente contracten afsluiten met hulpverleners.[1] Gunning moet daarbij altijd (mede) op kwaliteitscriteria gebaseerd zijn. Daarnaast moet de gemeente in een verordening vastleggen hoe zij reële prijzen voor de ingekochte dienstverlening berekent.[2] Een reële prijs houdt in dat er een goede verhouding moet bestaan tussen de prijs die wordt betaald voor en de kwaliteit die wordt gevraagd van de dienstverlening.

De verplichting om reële prijzen te rekenen is verder uitgewerkt in het Uitvoeringsbesluit Wmo[3], met een wijziging die is doorgevoerd door de welbekende AMvB reële prijs Wmo (‘de AMvB’). De AMvB geeft de mogelijkheid dat de gemeente bij de aanbesteding zelf het tarief vastlegt waarvoor zij de Wmo-dienstverlening zal gaan inkopen, dan wel dat zij de vaststelling hiervan overlaat aan de inschrijvers als onderdeel van hun inschrijving. In beide gevallen moet bij de berekening van het tarief in ieder geval rekening worden gehouden met de kostprijselementen die in de AMvB en in de wet zijn opgenomen. Voorbeelden hiervan zijn: redelijke overheadkosten, reis- en opleidingskosten, de deskundigheid van de beroepskracht en de cao-lonen die gelden in de branche.

De uitspraak

Voor de inkoop van huishoudelijke ondersteuning onder de Wmo heeft een gemeente uit de provincie Groningen een Europese openbare aanbesteding georganiseerd. Het doel van de aanbesteding was om contracten af te sluiten met de vijf inschrijvers die de beste prijs-kwaliteitsverhouding hadden aangeboden. In de offerteaanvraag heeft de gemeente onder andere maximale (uur)tarieven gesteld voor de verschillende vormen van dienstverlening. Terwijl de aanbesteding nog bezig was, is één van de inschrijvers een kort geding gestart omdat hij het niet eens was met de wijze waarop de gemeente tarieven had vastgesteld.

De voorzieningenrechter overweegt dat wanneer een gemeente ervoor kiest om de vaststelling van de tarieven aan inschrijvers over te laten, zoals bij gunning op BPKV het geval is, de Nota van Toelichting bij de AMvB de volgende procedure voorschrijft waarmee de gemeente moet verifiëren dat de inschrijver daadwerkelijk met een reële prijs heeft ingeschreven:

  • De inschrijver dient een offerte in waarin de kostprijselementen zijn ingevuld, een reële prijs is opgegeven en waarmee hij voldoet aan alle eisen.
  • De gemeente toetst de gestelde prijs aan de elementen uit de AMvB, voor zover nodig aangevuld met de elementen uit artikel 2.6.6 Wmo. Dit houdt in dat de gemeente toetst of de inschrijver (overtuigend) heeft aangetoond dat hij de gevraagde kwaliteit en continuïteit kan leveren en dat hij kan waarborgen dat hij zijn medewerkers volgens de geldende CAO’s en arbeidsvoorwaarden kan betalen.
  • Over de behaalde resultaten en de gemaakte afspraken legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.

Volgens de voorzieningenrechter had de gemeente in dit geval niet (aantoonbaar) deze procedure gevolgd. In geen van de aanbestedingsdocumenten is hier namelijk melding van gemaakt. De enkele verwijzing naar artikel 2.116 Aw 2012 (verificatie bij en mogelijkheid tot afwijzing van abnormaal lage inschrijvingen) is daarvoor niet voldoende. Een reële prijs is immers niet hetzelfde als een abnormaal lage prijs.

Door het ontbreken van een beschrijving van de procedure zijn de aanbestedingsstukken onvoldoende duidelijk en kan de aanbesteding geen doorgang vinden. De gemeente moet daarom een heraanbesteding starten.

Met betrekking tot maximumtarieven oordeelt de voorzieningenrechter als volgt: bij inkopen onder de Wmo is het stellen van maximumtarieven niet verboden, maar heeft altijd als uitgangspunt te gelden dat een reële prijs moet worden betaald voor de dienstverlening. Het feit dat de gemeente op de zorgkosten wil bezuinigen vanwege budgettaire problemen, is geen rechtvaardiging om van dit uitgangspunt af te wijken.

De voorzieningenrechter is van mening dat de BPKV als onderhavig slechts behaald wordt indien de maximumtarieven gelijk zijn aan of hoger zijn dan de reële prijs. Alleen in dat geval kan namelijk de gemeente elke aanbieder een reële prijs voor diens dienstverlening aanbieden, terwijl concurrentie op de tarieven mogelijk blijft. Voor het hanteren van maximumtarieven is de gemeente gehouden een kostprijsonderzoek te doen en transparant kenbaar te maken hoe en met inachtneming van welke elementen zij tot die prijs is gekomen.

Gevolgen voor de praktijk

Deze uitspraak laat duidelijk zien dat de gemeente een actieve rol speelt bij de bepaling van reële tarieven voor de inkoop van Wmo-voorzieningen. Zij zal altijd moeten onderzoeken wat een reële prijs is voor de gevraagde dienstverlening, al was het maar om een goede beoordeling van de ingediende tarieven mogelijk te maken. Het proces dat de gemeente bij die beoordeling zal doorlopen, moet vooraf duidelijk en transparant in de aanbestedingsstukken worden opgenomen. De aanbestedingsleidraad is hiervoor de meest voor de hand liggende plek, maar een aanvulling of correctie in de Nota’s van Inlichtingen is ook mogelijk. Wanneer een beschrijving van de procedure in het geheel achterwege wordt gelaten, laat deze uitspraak goed zien wat de mogelijke gevolgen daarvan zijn: terug naar de tekentafel en een heraanbesteding!

Hetzelfde zal gelden als in een aanbesteding maximumtarieven zijn gesteld, maar niet inzichtelijk is gemaakt hoe deze zijn berekend. Dan kan een inschrijver, of de rechter, immers niet controleren of deze tarieven niet te laag zijn.

Een vergelijkbare AMvB zoals nu al geldt voor de Wmo, is in de maak voor de Jeugdwet. Vooralsnog staat voor deze nieuwe verplichting een ingangsdatum gepland van 1 januari 2022. Het is dus de vraag of vanaf dat moment dezelfde complexiteiten ook bij Jeugdzorg gaan spelen.

Wij houden u op de hoogte!

Ellen Weisbeek – aanbestedingsjurist

Niels Hoppenbrouwers – managing consultant

Heeft u vragen over inkoop binnen het sociaal domein? Neemt u gerust contact met ons op via 020-3116499 of stuurt u een e-mail naar info@aevesbenefit.com

Het juristenteam van AevesBenefit staat voor u klaar!

[1] Artikel 2.6.4 Wmo 2015

[2] Artikel 2.6.6 Wmo 2015

[3] Artikel 5.4 Uitvoeringsbesluit Wmo.