Duidelijk grensoverschrijdend belang – Update

24 mei 2018

In 2016 verschenen twee belangrijke arresten over het grensoverschrijdend belang bij concessies. Eén van het Hof Den Haag en één van het Hof ’s-Hertogenbosch. Waar het Hof ’s-Hertogenbosch oordeelde dat partijen moesten aantonen waarom ondernemingen uit andere lidstaten interesse zouden hebben in de opdracht, oordeelde het Hof Den Haag dat niet vereist is dat vaststaat dat buitenlandse marktpartijen daadwerkelijk belangstelling hebben geuit. Twee verschillende uitspraken, met veel onduidelijkheid over de juiste lijn tot gevolg. Op 18 mei 2018 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen over het grensoverschrijdend belang, waarbij zij de lijn van het Hof Den Haag koos en het arrest van het Hof ’s-Hertogenbosch vernietigt.

Feitelijk oordeelt de Hoge Raad dat partijen niet verplicht zijn om uiteen te zetten waarom ondernemingen uit lidstaten daadwerkelijk geïnteresseerd zouden zijn in de opdracht. Het enkel wijzen op de omvang van het economische belang van een concessie en op de plaats van de uitvoering daarvan is voldoende. In de zaak van het Hof ’s-Hertogenbosch had de partij aangevoerd dat de concessie een aanzienlijke economische waarde vertegenwoordigde en nabij de landsgrens werd uitgevoerd. Het Hof had op basis van deze concrete en relevante stellingen moeten kijken of sprake was van een duidelijk grensoverschrijdend belang.

De Hoge Raad oordeelt dat het Hof Den Haag dan ook terecht tot de conclusie is gekomen dat een substantieel economisch belang op zichzelf kan volstaan, wanneer andere factoren (plaats van uitvoering en technische kenmerken) geen aanwijzingen voor of tegen een grensoverschrijdend belang geven.

Het is volgens de Hoge Raad dus niet nodig dat alle factoren positieve aanwijzingen opleveren voor een duidelijk grensoverschrijdend belang.


Bron afbeelding: nos.nl