Botsing Best Value filosofie en het recht: fabel!

16 nov 2017

 

Als er ergens voor- en tegenstanders van zijn, dan is het van het aanbesteden in de publieke sector op basis van de Best Value methode. Een duidelijke tegenstander is Jan Telgen, zo blijkt uit zijn recente bijdrage op aanbestedingscafé. Onze reactie kan daarop niet uitblijven. Niet omdat wij fervent voor- of tegenstanders zijn van de methode (onze mening is dat je daar in algemene zin überhaupt niet voor of tegen kan zijn omdat het van iedere omstandigheid afhangt), maar omdat de argumentatie die Telgen aanhaalt om zijn stelling (“filosofie Best Value past niet in EU aanbestedingen“) te onderbouwen niet deugdelijk is of (feitelijk of juridisch) onjuist. Een korte toelichting.

Het artikel van Telgen lezend vragen wij ons af of hij de essentie en filosofie van Best Value wel geheel doorgrondt. De kern van Telgens betoog is dat de filosofie van Best Value in strijd is met het juridische onderscheid tussen selectie- en geschiktheidscriteria versus gunningscriteria. In zijn visie is de essentie van Best Value “dat niet gekeken wordt naar de offerte, maar naar de kwaliteit van de leverancier. Bij interviews onderzoek je hoe goed de leverancier het project begrijpt, bij risicodossiers bekijk je of de leverancier de kwaliteiten heeft om het project te doorgronden“. Die weergave van “de essentie” is feitelijk onjuist. De redenering die Telgen optuigt, gaat ook op bij vrijwel iedere praktische toepassing van EMVI in een “klassieke” uitvraag. Allereerst: bij Best Value wordt gekeken naar het aanbod dat de leverancier biedt. Er wordt géén waardeoordeel toegekend aan eerdere projecten (ervaring). En het is volstrekt niet – in tegenstelling tot wat Telgen betoogt – de bedoeling om de kenmerken en kwaliteiten van de leveranciers te gebruiken als gunningscriteria.

Bij Best Value wordt een bewering gedaan door de leverancier wat zijn aanbieding zal realiseren. De leverancier onderbouwt die bewering door aan te geven op welke wijze hij dit op hoofdlijnen zal gaan bereiken en verstrekt hierbij meetbare informatie om aan te tonen dat het ook wordt gerealiseerd. Met andere woorden: hij verstrekt onderbouwde beweringen in plaats van sec een commerciële tekst. Best Value vraagt dus (inderdaad) meer realiteitszin dan de reguliere “plannen van aanpakken”, maar nog altijd staat ook bij Best Value het aanbod (en niet: de leverancier) centraal.

Zou je Telgens redenering volgen “bij interviews onderzoek je hoe goed de leverancier het project begrijpt, bij risicodossiers bekijk je of de leverancier de kwaliteiten heeft om het project te doorgronden” dan schiet je eigenlijk ieder willekeurig door de aanbestedende diensten in andere type aanbestedingstrajecten gebruikte “plannen van aanpak” van leveranciers af. Immers, ook die kan je (met wat zwartgalligheid) ook zodanig interpreteren dat ook bij de uitwerking van plannen van aanpak de facto toetst of de leverancier de kwaliteiten heeft de uitvraag van de aanbestedende dienst te doorgronden. Sterker nog, nu aanbestedende diensten veelal SMART informatie vragen, scoren leveranciers met veel “voorbeelden” en meetbare prestatie-informatie ook in die klassieke uitvragen veelal hoger. Die situatie wijkt dus niet af en niet is in te zien waarom dat bij Best Value dan anders zou zijn.

Een volgende stelling van Telgen is dat binnen Best Value “verpakkingen” worden gebruikt om “het probleem van gunningscriteria en selectiecriteria” te maskeren. Telgen haalt dan het voorbeeld van de oordelen over projectleiders aan. Wellicht ten overvloede: het kunnen vellen van een oordeel over een projectleider is inmiddels binnen de Aanbestedingswet expliciet genoemd als potentieel gunningscriterium. Ook hier dus een prima aansluiting bij bestaande wet- en regelgeving. Er is voorts geen sprake van een “verpakking” het is zoals het is: bij interviews wordt onderzocht op welke wijze de aangeboden functionaris het project doorgrondt en op welke wijze hij het project zal gaan uitvoeren. Deze functionaris heeft een grote verantwoordelijkheid en is bepalend voor het welslagen van het project. Kortom: wettelijk toegestaan en verpakkingsloos.

Een volgende feitelijk onjuiste uitspraak: het is niet enkel Nederland en Botswana waar de filosofie vertaald wordt in de uitvoering van inkoop- en aanbestedingstrajecten. Zo past in Europa Noorwegen (aanbestedende dienst Nye Veier) inmiddels ook Best Value toe bij aanbestedingstrajecten.

Tot slot een laatste opmerking. Telgen betoogt nog dat een probleem schuilt in het feit dat Best Value geen wetenschappelijk vastgelegde of vaststaande methode is. Het gaat te ver om daaruit te concluderen dat Best Value dus strijdig is met het aanbestedingsrecht. Is niet de essentie van het aanbesteden en het aanbestedingsrecht dat er géén vastgelegde methodes zijn, maar dat we een kader hebben gekregen waar invulling aan gegeven moet worden? De toepassing van Best Value of EMVI-criteria in een specifiek geval, kan in strijd zijn met het aanbestedingsrecht, niet de essentie. Dat het af en toe spaak loopt bij de toepassing van Best Value, dat blijkt uit de rechtspraak. Maar datzelfde geldt voor de uitvoerige rechtspraak over toepassing van gunningscriteria en andere open normen binnen de “klassieke uitvragen”. De rechter heeft eerder geoordeeld dat de beoordelingsmethodiek in de aanbestedingsdocumenten dient te staan en er niet verwezen kan worden naar een boek over Best Value. Logisch; het gaat hier om een gebrekkige toepassing. Dit geldt echter voor alle procedures, nergens is één vaste methode voor qua beoordeling en gunningscriteria. Dat zou ook voorbij gaan aan het gegeven dat aanbesteden maatwerk is, je richt je procedure in rondom je behoefte en specifieke eisen en wensen en niet conform een standaardformat dat mogelijk enigszins past. Het is een aanbesteding (dus toepassing) die strijdig kan zijn met het Europees aanbestedingsrecht, maar het gaat (veel) te ver een waardeoordeel te geven over het al dan niet passen van een filosofie binnen het Europees aanbestedingsrecht. Als iedereen zich volledig en goed laat scholen over Best Value, Telgen incluis, kan daarna het debat worden gevoerd – per aanbesteding – of toepassing ervan goed of minder goed is.

 

Niels Hoppenbrouwers

Voorzitter Expertgroep Publiek AevesBenefit